En.., wat vind je ervan?

Een mening komt niet uit de lucht vallen!

Sociale media!!!!! We leven in een tijd waarin welvaart en welzijn worden bepaald  door meningen. Iedereen heeft wel een mening en etaleert die ongegeneerd op facebook of twitter. Maar wanneer spreken we van een mening en wat is die waard? Goed om even bij stil te staan, vooral in het kader van cultuuronderwijs.

Enkele jaren geleden kocht ik als enthousiast dansliefhebber twee kaartjes voor een moderne dansvoorstelling. Voor de afwisseling nodigde ik Ben, een vriend, uit mee te gaan. Na afloop was ik erg benieuwd hoe hij de voorstelling, die ik zelf fantastisch vond, had ervaren en stelde hem de hamvraag: En…., wat vond je ervan?

‘DanceLooks’

En.., wat vind je ervan?
 Enigszins bedremmeld gaf hij een antwoord dat mij altijd zal bijblijven:’….tja, wat moet ik hier nou van vinden? Ik heb geen idee wat ik erover kan zeggen. Tijdens de voorstelling zocht ik naar houvast, maar er is niets waarmee ik het kan vergelijken….dus ik weet het niet!’

Ben deed zichtbaar hard zijn best, maar verwoordde mijns inziens precies een andere noodzakelijk voorwaarde die het uiten van een mening mogelijk maakt: een bruikbaar persoonlijk referentiekader. Ben, in het dagelijks leven fanatiek voetballiefhebber, stond bij het kijken naar moderne dans met lege handen. Zonder scorebord zou mij overigens bij het zien van een voetbalwedstrijd hetzelfde gebeuren.
In kunst- en cultuurkringen is men al snel geneigd te denken dat uitingen op dit gebied onmiddellijk voor eenieder toegankelijk zijn, mits je ‘je ervoor openstelt’. Echter staan verreweg de meeste mensen in Bens schoenen als het gaat om het beoordelen van kunst: het ontbreekt hen simpelweg aan referentiekaders! Het oordeel is dan al gauw ‘leuk’ of ‘stom’.

Kan goed onderwijs in kunst en cultuur verandering brengen in deze situatie? Theoretisch gezien natuurlijk wel. Het staat dan ook met zoveel woorden in de kerndoelen. Maar waar gaat het om? Om iets te kunnen beoordelen en er een mening over te kunnen formuleren zijn het kunnen herkennen van kwaliteiten binnen een medium (dans, muziek, poëzie, beeldend etc.) en de wijze waarop is gekozen uit mogelijkheden, voorwaarden. Ze bieden referentiekaders.
Als je kinderen die kaders wilt aanreiken door goed onderwijs, dan moet je kunnen opereren in drie domeinen; kennis, creativiteit en beoordelend vermogen.
Een zekere (vak)kennis is onontbeerlijk. Om een schilderij te kunnen maken, bedient een schilder zich van visuele kwaliteiten in termen van kleur, vorm en compositie. De  musicus, danser en schrijver doen dat ook, maar in een ander sensorisch universum. Deze vakkennis is noodzakelijk om het tweede domein te kunnen betreden: het ontwikkelen van creativiteit. Als we creativiteit definiëren als het zien van mogelijkheden, spreekt het voor zich dat het spel met mogelijkheden geleerd kan worden met de criteria uit het vorige domein. Die creatieve mogelijkheden krijgen vorm in het medium waarover de zojuist genoemde vakkennis is vergaard. Op die manier leren kinderen ook spreken over wat ze doen.

‘Ik vind……..’

En.., wat vind je ervan?
 Hier vindt dan een mooie transitie plaats, de overgang van het kenniskader naar een individueel beoordelingskader. Dit individuele referentiekader ontwikkelt zich door te doen en te beoordelen. Het is het sturingsmechanisme dat een individu gebruikt tijdens een creatief proces, het stemmetje in het hoofd dat zegt: niet zus, maar zo! Het is de stap die min of meer voorbewuste beslissingen bewust maakt. Het is de basis voor wat van Heusden (Cultuur in de Spiegel) bedoelt met ‘cultureel zelfbewustzijn’: een antwoord kunnen geven op de vraag: ‘wat vind ik en waarom?’ ofwel het onderbouwen van een mening.

Kan de groepsleerkracht de drie genoemde domeinen van goed onderwijs in kunst en cultuurvakken zelf realiseren (in beeld, taal, dans, spel, klank etc.)? Dit is de vraag die altijd weer opspeelt wanneer de overweging - groeps- of vakleerkracht voor deze vakken - aan de orde is. Het antwoord is: ja! Mits hij in staat is in de drie genoemde domeinen te opereren.
In de praktijk is het voor de leerkracht makkelijker de algemene ontwikkeling van het creatieve- en beoordelingsvermogen te realiseren dan vakkennis aan te brengen. Omdat vakkennis echter voorwaardelijk is bij de creativiteitsontwikkeling per discipline, is er sprake van een leemte die hoe dan ook ingevuld moet worden. Hoe los je als school dat probleem op?

De eerste stap is het probleem als schoolontwikkeltaak te formuleren en te komen tot een keuze uit opties:
a. Een goede methode aanschaffen. Een goede methode geeft de leerkracht handvatten voor alle drie de domeinen.
b. Vakspecifieke trainingen voor groepsleerkrachten organiseren en de effecten  gericht implementeren. Als schoolteam kun je die trainingen inkopen bij verschillende instanties.
c. Vakleerkrachten of BIKers inhuren, die in samenwerking met de groepsleerkracht dat onderdeel realiseren. De toename in expertise wordt in kaart gebracht en krijgt een plaats in het schoolcurriculum. De hapsnap benadering komt daarmee dus te vervallen.
d. De meest natuurlijke manier is aan de slag gaan vanuit een heldere ambitie: ik wil dit leren. Dat is de manier waarop Ben zijn expertise in het voetballen ontwikkelde. Ben voetbalde, zoals de meeste jongetjes, gewoon op straat. Hij leerde er een bal aannemen en naar voren spelen, verspreiden in plaats van allemaal achter de bal aan rennen, termen als buiten spel, strafschop en ‘schwalbe’ (eerste domein). Hij leerde dat je de tegenstander kunt verrassen, een strategie kunt afspreken, onverwachte bewegingen kunt maken, inseinen en samenspel kunt opzetten (tweede domein). Elkaar uitfoeteren maakte plaats voor benoemen wat er goed en niet goed ging en bepaalde of ze het een goed partijtje vonden. Ze keken ook steeds meer naar wedstrijden op TV en hoorden wat anderen ervan vonden (derde domein).

Wat Ben, de groepsleerkracht en de leerlingen gemeen hebben, is dat ze mogelijkheden kunnen creëren om te oefenen. Elke week staat er ca. 4 uur in het rooster waarin de groepsleerkracht tijd heeft zich te ontwikkelen binnen die drie domeinen. Hij/zij kan zich daarin gesteund voelen door goede methodes, maar vooral ook door de collega’s die dat ook doen en met dezelfde vragen worstelen. Ze leveren boeiende gespreksonderwerpen voor tijdens de koffie of de lunch.
Er over praten wordt dan steeds aantrekkelijker, vooral omdat het uiteindelijk gaat over het polijsten van meningen. Het verklaart ook de onbegrijpelijke hoeveelheid zendtijd die de televisie besteedt aan voor-, tussen- en nabeschouwingen van voetbalwedstrijden, waarin de gemoederen vaak hoog kunnen oplopen.

Werken aan de drie domeinen is een aantrekkelijk uitgangspunt voor het hele onderwijs. Na de peuterperiode blijken kinderen hun creatieve mogelijkheden op de basisschool snel te afleren (Ken Robinson; Out of our Minds!). Goed onderwijs (her)opent hun ogen voor alles wat er te ervaren en creëren is. Jonge kinderen zijn verliefd op de wereld met al z’n mogelijkheden. Door het ontwikkelen van het eigen vermogen tot creëren en beoordelen kan die verliefdheid uitgroeien tot ware liefde.

Behalve ‘liefde op het eerste gezicht’ of ‘als door de bliksem getroffen zijn’ is er weinig in deze wereld dat ‘beyond compare’ kan worden genoemd. Dus aan de slag met het opbouwen van referentiekaders om volwaardig te kunnen deelnemen in het spel van meningen, ook in de sociale media!


Sonja Nanov

Terug naar boven
© 2017 Stichting Beeldend Onderwijs

Van werken van beeldend kunstenaars aangesloten bij een CISAC-organisatie is het auteursrecht geregeld met Pictoright te Amsterdam. © c/o Pictoright Amsterdam 2012