Hardnekkig misverstand!

Hardnekkig misverstand!
“Ik mag van mijn mentor geen voorbeelden gebruiken in mijn bevoles!” luidt elk jaar wel eens de noodkreet van een stagiair nadat ze haar lesplan aan de groepsleerkracht heeft voorgelegd. “Dan is het zeker een wat oudere leerkracht”, was vroeger meestal mijn antwoord. Deze regel werd namelijk aan het eind van de jaren 50 op enkele kweekscholen voorgeschreven.
In aansluiting op de heiligverklaring van de kindertekening, deed begin jaren 50 de gedachte van de vrije expressie krachtig intrede. Het kind moest ruimte worden gegeven om zijn emotionele en onbewuste impulsen te volgen (Jung) om de ongewenste ophoping van spanningen te voorkomen. Door de vrije expressie te bevorderen wilde men de zogeheten ‘expressiebreuk’ in de ontwikkeling van het kind voorkomen. Kinderen moesten zich vrij kunnen uiten in klei en verf, niet gehinderd door enige didactische inmenging van de leraar. ‘Geen voorbeelden’ als didactisch devies stamt dus uit deze periode.
De expressie-hype was echter van korte duur. Begin jaren 60 ontdekte men dat de ‘laisser faire’ houding ten opzichte van beeldend onderwijs zowel de leraar als het kind ontmoedigde. Vrije expressie werd daarna vooral gebruikt als therapeutische activiteit. Op de scholen bleef men lange tijd in verwarring over de juiste aanpak.
Pas begin jaren 70 schreef met name de Dialectische Didactiek (Gerritse) het intensieve gebruik van (voor)beelden bij beeldende vorming voor.
Ook internationaal wordt sindsdien benadrukt dat voor het op gang brengen van de beeldende ontwikkeling voorbeelden noodzakelijk zijn. Bij beeldend onderwijs gaat het om het overdragen van visuele informatie. Dat is ondenkbaar zonder ‘beelden’.
Terug naar die student met de klacht van de basisschool. Die hoor ik, ruim 25 jaar later, elk jaar nog wel eens. De mentor met het voorbeeldenverbod is meestal niet ‘wat ouder’ maar piepjong. Hoe hardnekkig kan een misverstand zijn: ruim een halve eeuw na dato overleeft het geen-voorbeelden-virus nog steeds op onverklaarbare wijze. Evenals de ‘werkjes’, het braaf nagemaakte voorbeeld van de juf, lijken ze voorgoed het onderwijs te hebben besmet en van generatie op generatie te worden doorgegeven.
In de hoop dat daarin ooit verandering zal komen, nog maar een keer luid en duidelijk: Om je beeldend te kunnen ontwikkelen hebben kinderen (voor)beelden nodig.
In hun werk lossen de kinderen een probleemstelling op met informatie uit die beelden. Zo leren ze de taal van ‘het visuele’ en ontstaat een rijke variatie aan werkstukken. Het digitale schoolbord maakt het gebruik van mooie voorbeelden aantrekkelijker dan ooit!

P.S. De juf laat dan natuurlijk nooit haar eigen oplossing van die probleemstelling als voorbeeld zien! Dat is vergelijkbaar met het geven van de uitkomst bij een opgegeven rekensom.

 

Jos van Onna

Terug naar boven
© 2017 Stichting Beeldend Onderwijs

Van werken van beeldend kunstenaars aangesloten bij een CISAC-organisatie is het auteursrecht geregeld met Pictoright te Amsterdam. © c/o Pictoright Amsterdam 2012