Hoe het niet moet!

Hoe het niet moet!
Maar, zoals in het onderwijs gebruikelijk, is een verbetering van prestaties ook gewenst bij de minder getalenteerde kinderen. Sinds jaar en dag zijn leraren op vele gebieden van creativiteit in de weer om hun leerlingen daarbij te helpen. Leraren kiezen een benadering die naar hun idee vruchten afwerpen: een didactiek. Anders gezegd, ‘de wijze waarop men kennis, inzicht en vaardigheid’ overdraagt. Nu reist de hamvraag: ‘Is het wel mogelijk om creativiteit aan te leren en over te dragen?’ Pas als het antwoord daarop positief is, mag je spreken van een ‘didactiek voor een creatief vak’.

De ervaring als docent heeft mij geleerd dat mensen niet zomaar creatief zijn of niet. Degene die creatief is met een kwast staat er als een houten klaas bij tijdens het dansen of krijgt het schaamrood op de kaken tijdens het zingen. Mensen zijn dus meestal creatief ‘in iets’. Vaak heeft dat te maken met de bekendheid met het medium, de mate waarin men van huis uit al enigszins thuis is binnen die discipline. Dat staat nog even los van de vraag wat oorzaak of gevolg was.

Verhelderend is het om het vraagstuk om te keren: wat maakt iemand ‘niet creatief’ in een discipline. Dat plaatje wordt al snel duidelijk als iemand voor het eerst een viool ter hand neemt. Wat hij/zij ook doet, strelend voor het oor is het niet bepaald, ook niet als het een schattig kleutertje is.

Hoe het niet moet!

Hoe krijg je deze kleuter zover dat het zich de inspanningen getroost om in stapjes het instrument te leren kennen en de fantastische mogelijkheden van de wereld van klanken te gaan ervaren Het antwoord daarop luidt: een goede didactiek! Maar ook een didactiek die greep geeft op belangrijke vaardigheden zoals instrumentbeheersing. Een didactiek die kennis en inzicht (gehoor) bijbrengt over toon en harmonie. Kortom een didactiek die de leerling stimuleert om met die vaardigheden en inzichten zelf op onderzoek uit te gaan: muziek te ‘maken’.

Oké, we zijn het erover eens dat je een kleutergroep niet voorziet van violen en gitaren in de veronderstelling dat het voor de meeste kinderen een inspirerende stimulans zal zijn. Het grootste deel van de groep zal ontmoedigd afhaken of ongeïnteresseerd raken bij het uitblijven van bevredigend resultaat. Vandaar dat deze taferelen zich bij het muziekonderwijs niet voordoen.

Hoe anders is dat bij beeldend onderwijs. Al meer dan een halve eeuw leven er mensen in de veronderstelling dat, als je kinderen maar materiaal geeft en aanmoedigt, ze zich vanzelf beeldend zullen ontwikkelen en ware kunstwerken kunnen maken. De ervaring leert dat dit met hooguit drie op de dertig kinderen het geval is.

Nu kun je stellen dat de baten misschien wat gering zijn, maar ‘de rest schaadt het toch niet?’ Die redenering klopt helaas niet. Reeds op die jeugdige leeftijd vergelijken kinderen hun prestaties met die van leeftijdgenootjes. Het werk van de ‘talentjes’ wordt ‘de maat’ waarmee het grootste deel van de groep zichzelf diskwalificeert: ‘maar dát kan ik niet!’ Nog geen man overboord, als er een moment zou komen waarop die groep wél leert hoe het ‘kan’.

Hoe het kan en niet hoe het moet, daar gaat het om in de didactiek van creatieve vakken. Want kennis, inzicht en vaardigheid zijn voorwaardelijk voor elke ontwikkeling. En als kinderen die niet zelf genereren, zal je die systematisch moeten aanvullen om het enthousiasme op gang te houden en frustraties, die ook inherent zijn aan het creatieve proces, te overwinnen.

Hoe het niet moet!

Laat maar Zien volgt een procesgerichte didactiek. In dat proces staan kennis, inzicht en vaardigheid centraal in de respectievelijke procescomponenten beschouwing, onderzoek en werkwijze. Het probleem blijft natuurlijk dat je die inzichten en vaardigheden niet kunt bijbrengen, zonder iets te tonen. Je leert kinderen hoe ze met materiaal en gereedschap (instrumenten) om kunnen gaan om een eigen beeld (muziek) te kunnen maken waar ze trots op kunnen zijn. Je laat zien dat in een beeld de zeggingskracht verandert als je de kleur, de vorm, de textuur of de compositie verandert. Het is de uitdaging aan de leraar om het zó te laten zien, dat het voor de kinderen duidelijk is hoe het kán, zonder dat ze dat voorbeeld blind volgen. Voor de leerkracht wordt het motto dus: ‘Laat maar zien hoe het niet moet!’

Terug naar boven
© 2017 Stichting Beeldend Onderwijs

Van werken van beeldend kunstenaars aangesloten bij een CISAC-organisatie is het auteursrecht geregeld met Pictoright te Amsterdam. © c/o Pictoright Amsterdam 2012