In de breedte of de diepte?

Over de keuze van beeldende materialen in het basisonderwijs

Zojuist heb ik een knoop aan mijn broek gezet. Het was heel wat jaren geleden dat ik dat voor het laatst deed. Het bracht ook weer allerlei herinneringen boven. Bijvoorbeeld over de eerste knoop die ik aanzette. Het was op de lagere school. In de eerste klas leerde je met pen en inkt schrijven. Het afvegen gebeurde aan een ‘inktlap’. Als leerling mocht je die zelf maken tijdens de handwerkles. Naar het voorbeeld knipte je een viertal lapjes stof in een zelfde vorm. Met naald en draad moest je het stapeltje in het midden bij elkaar naaien en voorzien van een knoop.

In de breedte of de diepte?
Het vak Nuttig Handwerken werd in de jaren ‘70 Textiele Werkvormen en met het macrameeën van fietsvelgen en andere decoratieve producten verloor het zijn nuttigheid. Bij het vak Handenarbeid gebeurde dat al eerder. Het aanhaken bij de  Beeldende Kunsten, zoals dat bij tekenen al decennia lang het geval was, voorzag het vak van meer status. Tekenen richtte zich op de twee dimensionale kunst, handenarbeid op de drie dimensionale. Textiele werkvormen heeft altijd moeite gehouden om daarbij aan te sluiten. Door de invoering van de naam Handvaardigheid is dat een beetje verdoezeld. Textiel was een van de vele materialen die gebruikt konden worden. Het zou te ver voeren om ook te spreken van Keramische Werkvormen, Werkvormen in hout, papier en karton, metaal, plastics enzovoort.
Met de invoering van de begrippen Beeldende Vorming en Beeldend Onderwijs is de aandacht afgeleid van het materialen vraagstuk. Dit vakgebied leert kinderen vormgeven door ze inzichten bij te brengen in de grammatica van de vorm; de beeldaspecten. Ze leren authentieke beelden te vervaardigen door een eigen samenhang aan te brengen tussen betekenis, vorm en materie. Vlak en ruimtelijk werk wisselen elkaar af en zelfs de 2,5e en de 4e dimensie krijgen aandacht in respectievelijk reliëfs en animaties.
Maar daarmee is de materialendiscussie niet geluwd. Van tijd tot tijd wordt de vraag weer gesteld ‘of er wel genoeg textiel in de methode zit’.
De vraag moet eigenlijk als volgt worden gesteld: Welke materialen wil je kinderen aanbieden in het basisonderwijs? Je stuit dan op het volgende dilemma: Kinderen laten kennismaken met zoveel mogelijk materialen óf beheersing bijbrengen van een minimaal aantal materialen en technieken.
Het eerste lijkt voor de hand te liggen. Basisonderwijs is er tenslotte voor bedoeld om kinderen in ruime zin te laten kennismaken met alles wat de wereld te bieden heeft. Terecht wijst Diederik Schönau (lector ArtEZ Expertisecentrum Kunsteducatie) op het probleem met deze denkwijze. Omdat je bij dit vakgebied kan kiezen uit een enorm scala aan materialen en technieken kunnen kinderen probleemloos elke week iets nieuws aangeboden krijgen. Ze bereiken daarmee dus nooit een zekere beheersing van het materiaal. Het valt dan niet mee om met die beperkte kennis en ervaring tot een bevredigend authentiek beeld te komen, een goed werkstuk (geen kopie van een voorbeeld dus) waarover het kind zelf ook tevreden kan zijn.
Zelf ga ik graag mee in de redenering van Schönau. De beperking zal de kinderen een zeker gevoel van ‘mastery’ opleveren, waardoor ze echt aan het ‘verbeelden’ van eigen betekenissen toekomen. Het aantal materialen en technieken wil ik dan laten afhangen van de frequentie waarmee beeldend onderwijs wordt gegeven.
Iedereen die wel eens een teken- of keramiekcursus heeft gevold kent het gevoel het na een les of tien eindelijk een beetje in de vingers te krijgen. Kinderen leren sneller, dus krijgen ze een keer of vier per jaar eenzelfde techniek aangeboden om echt verder te komen.
De hamvraag luidt tot slot: hoe vaak krijgen ze Beeldend Onderwijs?
Het schooljaar bestaat uit 40 lesweken. Als er elke week een les wordt gegeven, resulteert dat in een aanbod  van 10 materialen/technieken. Ik ben bang dat men op veel scholen lang niet tot de helft komt. Een pleidooi temeer voor een beperking van het aanbod.
En textiel dan? Een prachtig materiaal om vorm te geven! Op school kan ervoor gekozen worden dit in het beperkte repertoire op te nemen. De technieken zijn echter zeer tijdrovend en het is daarom moeilijk het gevraagde niveau van eigen/authentieke producten te halen.

En eh… die knoop aanzetten leren ze onder ‘zelfredzaamheid’
;-)

Jos van Onna 

Terug naar boven
© 2017 Stichting Beeldend Onderwijs

Van werken van beeldend kunstenaars aangesloten bij een CISAC-organisatie is het auteursrecht geregeld met Pictoright te Amsterdam. © c/o Pictoright Amsterdam 2012