‘Knutselen’ nader bekeken

Beeldende activiteiten worden nog wel eens ‘knutselen’ genoemd. Als docent voor dit rijke vakgebied heeft het mij in het verleden regelmatig geërgerd als mijn leerterrein het predicaat ‘knutselen’ kreeg opgeplakt of de Pabo ‘knutselacademie’ werd genoemd. Maar vooral steeg mijn temperatuur naar het kookpunt als een leerkracht op de basisschool enigszins excuserend zei: “Nee, mijn collega is meer van het knutselen!”
Ik maande mezelf dan weer tot kalmte met de gedachte dat Gerrit Rietveld, de beroemde Nederlandse architect en vormgever, ook een notoir knutselaar was en Karel Appel zelf ooit de gevleugelde uitspraak deed dat-ie maar wat ‘aanrotzooide’.

‘Knutselen’ nader bekeken

Om die ergernis opzij te zetten, wil ik hier een korte analyse op loslaten. In het kader van hedendaags beeldend onderwijs wil ik ‘knutselen’ op positieve wijze herdefiniëren.

Het achterhalen van de herkomst van een woord is altijd aan aardig begin. Ook daar zie je al direct de dubbele betekenis. Het woord stamt waarschijnlijk uit het Nederduitse ‘Knütsel’  dat een ineengedraaide knoop betekent. Het Middelnederlandse werkwoord ‘cnutten’  betekende ook met knopen bevestigen, aan elkaar zetten. Maar al vroeg wordt knutselen in de ons bekende context van ongericht aanrommelen gebruikt. We komen het tegen in de Gouden Eeuw, als uitleg voor ‘knuysselen’: ‘het uit liefhebberij dingen in elkaar zetten’, ook  wel ‘prutsen’ genoemd.  Uit 1729 stamt de omschrijving ‘kleinigheden van houtwerk maaken om den tijd door te brengen’. Na die tijd vindt er nog een kruisbestuiving plaats. In navolging van Fröbel, worden allerlei activiteiten waarmee hij kleuters in hun ontwikkeling wilde stimuleren, in Nederland na de 2e wereldoorlog ‘fröbelen’ genoemd. Gesterkt door de fonologische, morfologische en semantische overeenkomsten wordt het werkwoord in eenzelfde betekeniscontext gebruikt als prutsen, friemelen, frutselen, enz., maar ook als knutselen.

Hedendaags basisonderwijs staat onder grote tijdsdruk. Leerkrachten hebben hun handen vol om de taken met de kinderen rond te krijgen. Dit wordt ook als belangrijke reden aangevoerd waarom er in veel gevallen weinig aan beeldend onderwijs wordt gedaan. Het spreekt voor zich dat in dat licht geen plaats is voor activiteiten om de tijd te door te brengen of die verwant zijn aan prutsen en rommelen. Ook de mogelijkheid dat er kinderen zijn die daar een liefhebberij uit ontwikkelen is geen voldoende motief. Evenveel kinderen zouden er namelijk een weerzin tegen kunnen ontwikkelen. Verder geeft knutselen ook een hoop rommel die weer opgeruimd moet worden. ‘Knutselen? Beter van niet!’ is derhalve een begrijpelijk credo. Vandaar dat ik het begrip liever niet gebruikt zag in relatie  tot goed beeldend onderwijs.

Goed beeldend onderwijs lijkt op (goed) taalonderwijs. Door training en reflectie leer je het medium (beeld/taal) begrijpen en hanteren. Daarmee leer je kennis, denkbeelden en emoties uitdrukken en die van anderen begrijpen (communiceren). Bij taal ligt (helaas) het accent nog op het inslijten van spellingsvaardigheden, in plaats van zelf schrijven, voordragen en vertellen. Bij beeldend onderwijs ligt het bij het vermogen om met een eigen zienswijze of idee te komen: creatief te zijn. Maar hoe doe je dat?

In de didactiek van beeldend onderwijs worden verschillende componenten aangedragen: beschouwing, werkwijze en onderzoek. Beschouwing leert kinderen bewust kijken naar ‘hoe’ dingen er uit zien en kan worden vergeleken met begrijpend lezen en luisteren. De werkwijze leert ze omgaan met materialen en technieken. Maar door onderzoek komen ze tot eigen beelden. Daar vindt de creatieve daad plaats. Maar hoe ziet dat eruit, dat creatieve onderzoek?

‘Knutselen’ nader bekeken
 
‘Knutselen’ nader bekeken

Wetenschappelijk onderzoek naar hersenactiviteit toont aan dat de beste mentale staat waarin die creatieve daad plaatsvindt een ‘ongericht handelende, een aanrommelende’  is. Welnu, je voelt ‘m al aankomen. De wetenschap sommeert ons tot ‘knutselen’!
Ondanks alle verwerpelijke factoren die er aan het begrip kleven, mogen we het kind niet met het badwater weggooien. Tijdens goed beeldend onderwijs zorgt de leerkracht ervoor dat elk kind even ‘knutselt’ en niet direct de reeds gebaande paden betreedt.

Vandaar dat ik tot slot een klein pleidooi houd voor ‘knutselen’:
Doe het met mate, goed toegerust en op het juiste moment!

Terug naar boven
© 2017 Stichting Beeldend Onderwijs

Van werken van beeldend kunstenaars aangesloten bij een CISAC-organisatie is het auteursrecht geregeld met Pictoright te Amsterdam. © c/o Pictoright Amsterdam 2012