Leerlijn met vakantie

Creëer een 'open situatie' om het geleerde toe te passen

Leerlijn met vakantie
Het schooljaar is al weer in volle gang. Alle spontane activiteiten die kinderen tijdens de vakantie konden ondernemen worden op school omgebogen naar ‘activiteiten met een beredeneerde opbouw’: de leerlijn! We weten dat kinderen tijdens de vakantie minstens zoveel leren als op school. We hebben echter geen referentiekader om het geleerde te kunnen beoordelen. Hooguit proberen we ongewenst aangeleerd gedrag tot een minimum te beperken.

Het is een leuk experiment om eens te kijken in hoeverre kinderen in een ‘vrije situatie’ iets toepassen dat ze concreet op school hebben geleerd. Vaak blijft die kennis kleven aan de klas, de juf of het medium dat deel uitmaakte van het leerproces. Uit eigen ervaring weet ik nog hoe moeilijk ik het vond om in Frankrijk het woord te doen, ondanks alle lessen die er op de lagere school al aan besteed waren.

Hoe zit dat met de leerlijn voor beeldend onderwijs en cultuureducatie? Een goed lesprogramma brengt kinderen op een inspirerende manier allerlei inzichten en vaardigeden bij die ze op eigen niveau creatief verwerken. De gestuurde aanpak voorkomt dat alleen de sterken sterker worden en de rest zich in het moeras van onvermogen voelt wegzakken. Om die reden heeft elke les weer een aansprekend onderwerp met verhelderend beeldmateriaal dat kinderen uitnodigt tot creatief onderzoek. Maar komen ze ook zonder deze voorwaarden tot eigen beelden? Om die vraag te kunnen beantwoorden is het gewenst om ook ‘open situaties’ in het programma op te nemen, zogenaamde ‘open-atelier-ruimte’. Tijdens dat atelier staan kinderen zelf aan het roer van hun vormgevingsproces. In de aanloop bereiden ze hun activiteit ook zelf voor. Dat wil zeggen dat ze, naast de keuze voor het materiaal, op zoek gaan naar een onderwerp, beeldmateriaal verzamelen en omschrijven wat ze graag zouden willen doen.

Is dat haalbaar? Ja, indien aan een aantal essentiële voorwaarden wordt voldaan. Om de zes weken zou een mooie interval zijn. In de jaarplanning van Laat maar Zien kunnen deze open ateliers ook systematisch worden ingepland. Het is natuurlijk onmogelijk om kinderen van een groep in het eigen lokaal op één moment uit alle materialen te laten kiezen. Daarom is het verstandig om het met meer groepen te organiseren. Bijvoorbeeld van één of meer ‘bouwen’ tegelijk. Je kunt dan bijvoorbeeld per lokaal twee materialen aanbieden. In de aanloop naar dat open atelier moeten de kinderen worden gestimuleerd vast ideeën op te doen en voorkeuren te bepalen. Dat kan door:

-Na elke reguliere les bij de nabespreking te vragen of dit iets zou kunnen zijn waarmee ze in het ‘open atelier’ verder willen werken. 
-Ook in de ochtendkring kunnen, liefst ook buitenschoolse, ervaringen van kinderen in een culturele creatieve vraagstelling worden omgezet met de vraag: Hoe zou je daar een werkstuk over kunnen maken.
-Eén keer in de week kan er in een ideeënschriftje worden genoteerd waar gedachten naar uitgaan, vijf minuten voor de middagpauze of aan het eind van de dag. Daarin verzamelen ze ook het beeldmateriaal dat ze willen gebruiken.

Op die wijze leren kinderen op een eigen manier vorm te geven in een ‘vrije ruimte’ en kan worden bepaald of de leerlijn die tijdens het programma wordt aangeboden ook de beoogde vruchten afwerpt. Het is een lust voor het oog de kinderen in deze vrije ruimte te mogen observeren en hun creatieve ontwikkeling in kaart te brengen!

Sonja Nanov

Terug naar boven
© 2017 Stichting Beeldend Onderwijs

Van werken van beeldend kunstenaars aangesloten bij een CISAC-organisatie is het auteursrecht geregeld met Pictoright te Amsterdam. © c/o Pictoright Amsterdam 2012